De dichter Gijs ter Haar aan het woord

Dit gedicht werd tijdens de Mooi Weer Spelen 2007 door Gijs ter Haar voorgedragen.

Een ode aan Delft Centraal

Delft Centraal

Hier lig je dan, je bent een plek
van rusteloosheid zonder einde.
Een haven, tempel of een laatste brug.
Je bent een dampend stampend wezen
dat stalen armen naar de grenzen
van de mens en zijn beleving strekt.

En zo voorzie je in het idee
van dromen die te wachten liggen.
Verderop in andere steden.
Waar alle blindgemiste kansen
nog een keer te nemen zijn.
Men kan de tijden van vertrek
binnen op de borden lezen.

Maar blijf je toch vooral een vat
vol vruchteloze overpeinzing.
Op banken waar verloren jassen
druk doende niets te zeggen hebben.
De zwoegers en de zaligmakers.
De werksters en de werkelozen.
De zwervers en de zakenlui.

Hier dwalen ze gezamenlijk
en toch uitermate solitair,
gehaast of niet vooruit te branden.
Alles in een steeds op weg zijn,
van rusteloosheid zonder einde.
Tot het einde, tot zich alles scheidt.

Jij ligt gelaten in het midden
van de stad, die mooie stad.
Die om jou heen te dansen staat
en ziet de wereld en zijn wezens
schaterlachend na en aan.
In elk spoor van je verlengde,
naar nergens heen, waar altijd alles
toch overal hetzelfde is. 
Omdat je weet dat niemand dus
ooit écht ergens heen gaat.

© Gijs ter Haar